zondag, 11 februari 2018

Dat Prins Bernhard der Nederlanden hem breed liet hangen weet tegenwoordig iedereen. Maar hoe breed is nog steeds de vraag. Soms duikt het relaas op van iemand die zich telg van Lippe-Biesterfeld noemt, soms is er iemand die dat niet wil weten.

Oscar van den Boogaard is een exponent van de eerste groep. Zijn roman Kindsoldaat verschijnt deze week bij De Bezige Bij en in het NRC van dit weekeinde doet hij alvast zijn verhaal. Van den Boogaard heeft weliswaar van zijn moeder vernomen dat hij een kind van Bernhard is maar komt nu pas uit de kast omdat ook de andere betrokkenen – Bernhard en de man die voor de burgerlijke stand als zijn verwekker geldt - inmiddels dood zijn en omdat hij met het geheim dat dus niet echt een geheim was geworsteld heeft ‘als met een trauma’.

Van den Boogaard doet mij denken aan Jean Thomassen, kunstschilder te Heiloo. Maar Thomassen behoort tot de tweede kategorie prinsekinderen, de groep die er liever niet mee gekonfronteerd wordt. Ik kreeg ooit iets van hem toegestuurd dat door moest gaan voor een autobiografie. Maar ik weigerde het manuscript omdat het, behalve slecht geschreven, volgens mij fake is.

Van den Boogaard en Thomassen hebben het in dezelfde bewoordingen over hun opvoeder. Pa van den Boogaard was in de ogen van zijn bastaardzoon een geslagen hond die het tijdens diens puberteit opgaf en naar Suriname vertrok. Bernhard (sic!) Thomassen bleef wel tot diens dood in beeld maar de kleine Jean ervoer hem nooit als vader, of gezinshoofd. Ook de aanwezigheid van de echte papa op de achtergrond komt in de verhalen overeen. Van den Boogaard ontmoet volgens eigen zeggen de prins enige keren in het echie, bij Thomassen blijft het bij een belletje zo nu en dan vanuit Soestdijk.

Verder verschillen de verhalen hemelsbreed.

Thomassen onderschat zijn lezer. Hij beschrijft uitgebreid hoe hij in de jaren vijftig in zijn uppie in een sjieke auto opgehaald werd uit Den Haag en uit logeren ging ‘bij de adel’, maar elke keer wanneer je als lezer denkt ‘maar man, daar moet toch een reden voor zijn geweest?’, laat hij je in de kou staan. Ook waar hij vertelt dat zijn oma hem Lordie noemde, vraagt hij zich slechts af waar dat wel op slaan kon.

Kort en goed: Thomassen wil in zijn zelfbeschrijving juist iets niet prijsgeven. Ik kreeg zelf het gevoel dat hetgeen in zijn manuscript verzwegen moet worden van doen heeft met de oorlog. Bernhard Thomassen was in de Meidagen van 1940 onder de eerste militaire slachtoffers. Zijn verwondingen liep hij op bij de verdediging van de spoorbrug bij Gennep.

In het krakkemikkige verhaal van zijn bastaardzoon werd zijn leven gered door een NSB-er die zich met naam en toenaam aan hem bekendmaakte terwijl de man even daarvoor een Duits commando door de verdedigingslinie had geleid... Duidelijke zaak dat de auteur ons hier om de hete brij heen wil voeren. Wie o wie had Thomassen senior daar bij die brug echt onder zijn hoede genomen, mogelijk voor de rest van diens leven? Wie had Thomassen senior daar gezien en gesproken terwijl diegene daar volgens onze geschiedenisboekjes niet mocht zijn?

Jean Thomassen zelf werd halverwege de jaren zeventig ook gered, en wel uit de goot. Door wie? Goede vraag waarop in de fake autobio wordt geantwoord met ‘een gunstige schikking van het lot’. Gelooft U het, geloven wij het. Ineens is Jean de partner van actrice Ine Veen, die zich om de andere dag laat feteren in De Telegraaf en die de laatste decennia vooral van zich heeft doen spreken als adept van Pim Fortuyn en Geert Wilders.

Een biografie van Veen heeft inmiddels het licht gezien en ik vrees dat ons de in elkaar geflanste fictie van Jean Thomassen binnenkort als geauthoriseerde zelfbeschrijving door de strot gedouwd zal worden. Nu maar hopen dat iemand de archieven induikt om te weten te komen wat zich daar toen in Gennep precies afspeelde.

Want behalve als veelwijver en bastaardkweker willen wij ons de prins toch vooral herinneren als verrader...

JoopFinland