Geheime chaos
Na de aanslagen op de Twin Towers schoten alle Amerikaanse (en  Europese) veiligheids- en inlichtingendiensten van schrik in een  enorme groeistuip. Er werden nieuwe organisaties opgericht, bestaande  diensten werden dramatisch uitgebreid, er werden jaarlijks tientallen  miljarden ingestoken.

De Washington Post heeft twee jaar lang de staat van de geheime  diensten onderzocht en bracht gisteren haar dossier Top Secret  America uit. Het is geen kattenpis: liefst 1271 overheidsinstanties  en 1931 ingehuurde bedrijven houden zich momenteel uitsluitend bezig  met het verzamelen, opslaan, rubriceren en analyseren van informatie  en schrijven daar vervolgens elke dag stapels rapporten over. Alleen  al de NSA moet 1,7 miljard e-mails en telefoongesprekken per dag  verwerken.

In totaal zijn deze veiligheidsmedewerkers in 10.000 high-tech, zwaar  beveiligde gebouwen ondergebracht. 845.000 mensen hebben inmiddels een top security clearance. Sinds 9/11 zijn er 263 nieuwe inlichtingen-  en veiligheidsdiensten bijgekomen. Allemaal leveren ze vergelijkbare  rapporten op: iedereen herkauwt dezelfde gegevens en vat andermans  werk eindeloos samen, zodat juist de betekenisvolle details worden  weggewassen. Er zijn voorts te weinig mensen met kennis van het veld,  te weinig vertalers en te weinig mensen die goed zijn ingewerkt. (Geen  wonder ook, als je de spoeling zo dun en het werk zo dik maakt.)

Het document dat al die geheime clubs (vaak elk met eigen subdivisies)  inventariseert, is driehonderd pagina’s lang. Vaak weten instanties  niet van elkaar wat ze doen, ook omdat ze allemaal al hun werk  gewoonlijk als highly classified bestempelen. Het gevolg: iedereen  werkt vreselijk langs elkaar heen. Alleen al de geldstromen van  mogelijke terroristische organisaties worden door vijftig  verschillende Amerikaanse diensten onderzocht. Niemand heeft tijd om  elkaars rapporten te  lezen.

De legerdienst die was aangewezen om te bezien of er zich binnen het  Amerikaanse leger zélf mogelijk extremisten ontwikkelden, besloot op  eigen houtje buitenlandse groepen te gaan onderzoeken (al waren daar  al tientallen andere instanties voor). Daardoor had niemand nog oog  voor de meldingen over majoor Nalik Hasan, die in november 2009 in de  legervesting Fort Hood uiteindelijk dertien mensen doodschoot en  dertig anderen ernstig verwondde. Ook de vele berichten over de  Nigeriaan Abdulmutallab die een Kerstmisaanslag tijdens een vlucht van  Jemen naar Detroit in gedachten had, verzopen volkomen in de bandeloos  groeiende stroom informatie. Er waren genoeg mensen die ervan wisten,  maar niemand deed iets met die informatie.

Om orde in de inlichtingenchaos te scheppen besloot de regering in  2004 het Office of the Director of National Intelligence op te  richten: het ODNI zou voortaan de regie voeren. Ogenblikkelijk  verschoven de diensten die onder het ODNI zouden moeten vallen, hun  budgetten en gaven hun rapporten een hogere status, waarmee ze het  ODNI buitenspel zetten. Niettemin is het ODNI van 11 mensen in 2005  uitgegroeid naar bijna 3000 medewerkers nu. Het ODNI houdt zich  momenteel vooral bezig met procedurele kwesties. Niet met de vraag wat  onder wiens verantwoordelijkheid valt, hoe je die almaar talrijker  diensten fatsoenlijk kunt laten samenwerken; laat staan met de vraag  hoe specifieke informatie geprioriteerd kan worden.

De Washington Post verdient een Pulitzer voor haar Sisyphusarbeid.  De krant toont aan dat ongebreideld informatie verzamelen voor ‘onze  veiligheid’ vooral een duur en eindeloos groeiend  werkverschaffingsproject is geworden waar veel dure gebouwen met  irisscans en ingewikkelde pasjessystemen aan te pas komen, maar dat  qua informatie geen klap oplevert. Sterker: in dit systeem verzuipt  alle echt nuttige informatie genadeloos.

Zie deze internet-pagina's: http://projects.washingtonpost.com/top-secret-america

(dit stukje hebben we overgenomen uit Het Parool, 20 juli 2010)
Karin Spaink
2010-07-20


Opinies Inlichtingendiensten