Eind jaren vijftig deden Norbert Elias en John L. Scotson, toen nog
niet zo bekende sociologen, een onderzoek naar een kleine voorstad in
de Britse Midlands. Het resultaat van dit onderzoek verscheen voor het
eerst in het Nederlands bij Spectrum in 1976, onder de titel: De
gevestigden en de buitenstaanders. Een studie van de spanningen en
machtsverhoudingen tussen twee arbeidersbuurten.
De gevestigden
woonden er al drie generaties, toen na de Tweede Wereldoorlog mensen
uit het Londense East-End de nieuwbouwwoningen in het stadje betrokken,
omdat hun eigen woningen waren gebombardeerd. Sindsdien begonnen de
moeilijkheden.
Voor Elias was dat verrassend. Er was geen
opvallend verschil tussen de gevestigden en de buitenstaanders. Beide
groepen waren blank, spraken dezelfde taal en hadden dezelfde
godsdienst. De gevestigden waren niet rijker dan de buitenstaanders, ze
waren allemaal arbeiders met arbeidersloontjes. Toch was er een
overduidelijk machtsverschil tussen de gevestigden en de
buitenstaanders, en Elias vond hier een model op microniveau om uit te
zoeken hoe dat machtsverschil tot stand komt, zonder storende elementen
als ras, etniciteit of religie.
De gevestigden vonden zichzelf,
tot in de tweede en zelfs derde generatie, betere mensen dan de
buitenstaanders. Zij vonden dat ze deugdzamer en fatsoenlijker waren.
En alles wat zij waren, waren de buitenstaanders niet. De
buitenstaanders werden gezien als ongemanierd, lawaaierig,
minderwaardig en sneller geneigd de wet te overtreden en misdaden te
begaan.
Wat is hier de machtsbron een typische vraag van Elias.
De gevestigden en de buitenstaanders werkten in dezelfde fabrieken en
op het werk konden ze het redelijk goed met elkaar vinden. Het was pas
na het werk dat iedere groep zijn eigen weg ging: de gevestigden naar
hun oude woningen, de buitenstaanders naar de nieuwbouwwijken.
De
gemakkelijkste verklaring is een goede verklaring: de gevestigden
kenden elkaar veel langer. Onder de gevestigden bestond een grotere
onderlinge vertrouwdheid, terwijl de buitenstaanders nauwelijks of niet
onderling vertrouwd waren. De buitenstaanders waren een samenraapsel,
zonder onderlinge banden of gemeenschappelijke herinneringen.
De
grotere vertrouwdheid onder de gevestigden zorgde voor een grotere
saamhorigheid. Ze ontmoetten elkaar al generaties lang in dezelfde
kerk, in dezelfde cafés en buurt- en sportverenigingen, en bij al die
ontmoetingen werd volop over de buitenstaanders gepraat.
De
gevestigden ontwikkelden wat Elias noemt een `groepsfantasie' van
zichzelf, door kwaad te spreken over de buitenstaanders. De
buitenstaanders werden gestigmatiseerd, wat inhield dat zij werden
gemodelleerd naar de slechtste kenmerken van het slechtste deel van de
buitenstaanders.
Belangrijke vraag is hoe het komt dat de buitenstaanders die
negatieve kwalificaties van zichzelf gaan accepteren. Volgens Elias
ontbreekt het de buitenstaanders aan de macht om zich tegen negatieve
kwalificaties te weren. Ze hebben geen onderlinge banden, er is geen
onderlinge saamhorigheid, ze beschikken niet over een eigen
roddelcircuit en ze zijn, om het zo te zeggen, niet-geïntegreerd. Ze
zijn onderling niet geïntegreerd en ze zijn niet geïntegreerd in de
stad waarin ze wonen.
Want wat doen de gevestigden met hun
macht, die gebaseerd is op vertrouwdheid en saamhorigheid? Ze sluiten
de gelederen, ze sluiten de buitenstaanders uit. Op de werkvloer werken
ze samen, maar de buitenstaanders worden niet toegelaten tot
feestcomités of comités voor liefdadigheid of tot de besturen van
buurt- en sportverenigingen. De sporttoernooien en spelletjesavonden
worden uitsluitend georganiseerd door de gevestigden.
Niet
alleen vóór de gevestigden, laten we dat goed begrijpen; de
buitenstaanders worden niet met zoveel woorden geweerd. Maar ze zorgen
er, bijna onbewust, voor dat de buitenstaanders zich niet behaaglijk of
op hun gemak voelen op de spelletjesavonden in de buurtcafés. De
buitenstaanders krijgen steeds weer het gevoel minderwaardig te zijn en
ze blijven weg.
Het gaat, zegt Elias, om een emotionele
weerstand, dat wil zeggen, om een gevoel, en gevoelens zijn lastig te
bewijzen. De gevestigden voelen een emotionele weerstand tegen de
buitenstaanders, zonder dat openlijk te verwoorden. Juist door het niet
openlijk te verwoorden, zou ik zeggen. Als een buitenstaander een kroeg
binnenkomt, wordt het er ineens stil en wordt de buitenstaander
aangestaard. De buitenstaander voelt die emotionele weerstand en maakt
dat hij, na een groot glas lauw bier, wegkomt.
Juist omdat het
een gevoel, een emotie betreft, is dat moeilijk te veranderen. De beide
partijen voelen haarfijn aan wat er gebeurt, en daar valt van buitenaf
bitter weinig tegen te doen. In India werd het kastenstelsel na de
onafhankelijkheid wettelijk afgeschaft en werd het maken van
kastenonderscheid strafbaar gesteld, maar de emotionele weerstand tegen
de kastelozen is nu, drie generaties later, nog even hevig voelbaar. In
Nederland hebben we artikel 1 van de Grondwet, waarbij het van bovenaf
verboden wordt te discrimineren. Maar hoe verbied je een gevoel, hoe
zorg je ervoor dat een emotie niet meer meespeelt? De overheid kan
onderlinge gelijkheid bevorderen, maar geen wederzijdse liefde.
De
macht om de andere groep te vernederen en belachelijk te maken, gaat
volgens Elias via het mechanisme van de roddelpraat. Roddelen is het
verspreiden van misprijzende informatie over niet aanwezige anderen.
Kletspraat is het belangrijkste instrument in de versterking van de
onderlinge saamhorigheid, omdat het misprijzend praten over anderen
altijd ook lof voor jezelf is. Elke vorm van kwaadsprekerij over de
ander is een vorm van ophemeling van jezelf. Het is zelfbewieroking,
het is zelffelicitatie, zelfverheerlijking, het is een uiting van
superioriteit.
Het mooiste in het onderzoek van Elias is dat hij
geen momentopname maakt, maar de tijd erbij betrekt. Hij gaat niet
alleen in op kwaadsprekerij als het mechanisme van de ongelijke
machtsverhouding tussen de gevestigden en buitenstaanders, hij gaat ook
uitvoerig in op het effect van het generatiegewijs doorgeven van de
groepsbeelden.
De getraumatiseerde jongeren onder de
buitenstaanders zijn gewoon geboren in het voorstadje, strikt genomen
zijn ze geen buitenstaanders meer; in Nederland zouden we spreken van
tweede generatie allochtonen.
Deze kinderen van de
buitenstaanders zijn met elkaar opgegroeid in dezelfde traumatiserende
omstandigheden. Nu ontstaat een prille vorm van saamhorigheid, voor het
eerst is er ook saamhorigheid onder de buitenstaanders en ontstaat
protest tegen het negatieve zelfbeeld.
Dat protest is
aanvankelijk een vorm van verdediging, een pathetische vorm van
verdediging. Het bestrijkt het hele spectrum van ,,wij zijn helemaal
niet zoals jullie denken'', tot: ,,wat jullie zeggen geldt misschien
voor sommige buitenstaanders, maar niet voor allemaal, en ik ben
daarvan zelf het bewijs.''
Degenen die zich van deze laatste variant bedienen, worden door de
overige buitenstaanders onmiddellijk uitgemaakt voor opportunisten,
verraders, of om het in goed Nederlands te zeggen: voor bounty's, zwart
van buiten en wit van binnen.
De gevestigden aan de andere kant
zien deze bounty's als vooruitstrevende, eerlijke, waarheidlievende
`nestbevuilers', omdat het beeld dat ze van de buitenstaanders hebben
uiteindelijk wordt bevestigd.
Hoe nuttig nestbevuiling ook is,
als die zo wordt toegejuicht, en als die nestbevuilers zo innig worden
omarmd door de gevestigden, mist de nestbevuiling haar doel. Nuttige
zelfkritiek verandert in verdachte collaboratie.
Als de
pathetische verdediging niet lukt, schieten sommige jongeren in een
minstens zo pathetische aanval. Ze worden baldadig, ze geven zich over
aan vandalisme, ze overtreden opzettelijk en demonstratief de waarden
en normen van de gevestigden, ze maken alle buurten onveilig, ook die
van henzelf, en ze vervallen niet zelden in misdadig gedrag. Ze zien
hun ouders vaak als zielige stumpers en ze willen precies het tegendeel
zijn: tirannen, vrees inboezemende tirannen. Hoe banger men voor ze is,
hoe leuker ze het vinden.
Deze vorm van afwijkend en delinquent
gedrag van de kinderen van buitenstaanders is natuurlijk voor de
gevestigden een duidelijke bevestiging van hun beeld: zie je wel, ze
deugen niet, ze zijn niet fatsoenlijk en misdadig. En de politie kan
dat bevestigen. Wat misschien aanvankelijk niet waar was, wordt alsnog
bewaarheid.
Het protest tegen de jarenlange stigmatisering door
de gevestigden, het protest tegen de sociale en culturele uitsluiting,
het protest tegen vernedering en bespotting, kan de vorm aannemen van
conflicten, steeds hevigere conflicten en ten slotte zelfs van
gewelddadigheden. Net zoals de kinderen van de buitenstaanders in de
nieuwbouwwijk van het voorstadje in Engeland worden de kinderen van de
allochtonen in Nederland boosaardig, vernielzuchtig, vandalistisch en
misdadig. Zij nemen wraak in naam van hun onmachtige ouders, hoezeer de
ouders dat ook afwijzen; ze eisen respect.
Mohammed B. is
eigenlijk het duidelijkste symbool van deze tweede fase in het
machtsconflict tussen gevestigden en buitenstaanders. Hij was redelijk
goed geschoold en hij was sociaal, zegt men. Maar kijk jegens wie hij
sociaal was, voor wie hij zulk edel jongerenwerk deed: voor de eigen
groep.
Hij bevorderde de saamhorigheid onder de eigen groep en
kon daardoor het gevoel ontwikkelen van superioriteit ten opzichte van
de gevestigden. Mohammed B. moest Theo van Gogh eerst zien als exponent
van het meest verachtelijke van de gevestigden, hij moest zich eerst
het beeld vormen van de slechtste kenmerken van het slechtste deel der
gevestigden, en dan ook hier weer slecht tussen aanhalingstekens; de
daad van Mohammed B. was dan ook een grandioze vorm van
zelfverheerlijking, van zelffelicitatie, hij voelde zich een Alexander,
een Ceasar.
Gelukkig ontwikkelen niet alle buitenstaanders deze
extreme vorm van afweer tegen wat zij ervaren als emotionele weerstand.
Maar de meesten zijn bereid enige vorm van afwijkend gedrag te tonen,
daarmee alleen maar bevestigend wat de gevestigden al die tijd al
hadden gedacht. Als het toen niet waar was, wordt het alsnog bewaarheid.
Het
is nogal ironisch te moeten concluderen dat de agressiviteit van
buitenstaanders tegenover gevestigden in deze tweede fase juist het
gevolg is van een succesvol overheidsbeleid tegenover minderheden. Ze
leven niet meer in extreme armoede en ze zijn niet helemaal
ongeletterd, zoals hun ouders. Ze hebben misschien minder goed
onderwijs genoten, maar ze zijn geschoold. En ze zijn geen samenraapsel
meer. Onder degenen die eerst zo geïsoleerd en gefragmenteerd waren, is
er nu een begin van sociale cohesie, die ontstaat in eigen clubs en
disco's en in massale zomerfestivals, door de overheid gesubsidieerd.
De
nieuw gevonden saamhorigheid leidt tot gevoeligheid, tot
overgevoeligheid voor de emotionele weerstand die de gevestigden
tegenover hen koesteren, maar ik kan me geen overheid voorstellen die
buitenstaanders aan hun lot overlaat om te voorkomen dat ze
saamhorigheid ontwikkelen en zich weerbaar opstellen tegen sociale
onderschikking. Ik zou zeggen, wie A zegt moet ook B zeggen, en de
overheid zou met artikel 1 van de Grondwet in de hand die sociale
onderschikking met kracht moeten bestrijden. Maar zoals ik zei, de
overheid kan veel, maar wederzijdse liefde kan zij niet bevorderen.
De houding van de buitenstaanders hebben we nu zo'n beetje
geschetst, maar hoe ontwikkelt zich de houding van de gevestigden in
deze tweede fase? Hoe moeten we het gedrag analyseren van de
gevestigden in dit post-Fortuynistische tijdperk? Hier moet ik het
zonder Elias doen, want juist over dit spannendste aspect zegt hij in
zijn studie van het voorstadje in Engeland vrijwel niets.
Om
wederzijdse liefde hoeven we niet te vragen, maar wordt de emotionele
weerstand van de gevestigden tegen de buitenstaanders minder? De les
die Nederland leert is duidelijk: nee. De emotionele weerstand tegen
buitenstaanders neemt toe.
Dat is nog zo'n eigenaardige
conclusie: naarmate de machtsbalans tussen gevestigden en
buitenstaanders minder scheef wordt, naarmate de buitenstaanders zich
onafhankelijker kunnen opstellen en hun onderlinge saamhorigheid
toeneemt, neemt ook de saamhorigheid onder de gevestigden toe.
Nog
steeds is hier het mechanisme de roddel, zoals Elias het noemt, de
kwaadsprekerij, de kletspraat, de selectieve waarneming, de
benadrukking van de slechtste eigenschappen van het slechtste deel van
de buitenstaanders, de voortdurende verwijzing naar die slechte
eigenschappen die gestalte krijgen in criminaliteit, normloosheid,
afwijkend gedrag, afwijkende opvattingen; vrouwenbesnijdenis,
kinderverwaarlozing, jeugdcriminaliteit, we kunnen er geen genoeg van
krijgen. Nooit eerder is in Nederland zo veelvuldig gewezen op de
houding van sommige islamieten tegenover homoseksuelen. Nooit eerder is
zo heftig gereageerd op de houding van sommige islamitische mannen
tegenover vrouwen. En het woord `sommige' laat men gemakshalve weg.
Elias
deed zijn onderzoek eind jaren vijftig van de vorige eeuw, in een
stadje van amper vijfduizend inwoners. De schaal en tijd waar ik zijn
model nu voor gebruik is een andere. Het is de 21ste eeuw en het gaat
om miljoenen mensen. De misprijzende opmerkingen worden nu niet gemaakt
bij de dorpspomp, bij de wandeling na het kerkbezoek, in het café of de
sportvereniging. De roddel vindt plaats in de kranten en op televisie.
De
buitenstaanders zijn nog steeds niet aanwezig, niet in fysieke zin
althans, maar ze mogen meeluisteren. Ze mogen weten wat de gevestigden
over hen denken. Ze mogen getuige zijn van de groepsfantasie onder de
gevestigden en de nieuw gevonden saamhorigheid, een saamhorigheid die
hysterische vormen aanneemt zodra zich een gelegenheid voordoet, hetzij
de dood van een volkszanger, hetzij de moord op een prominente
roddelaar onder de gevestigden.
De dorpspomp is de opiniepagina, de column, het televisiepraatprogramma en, Geert Wilders indachtig, het nationale parlement.
Hoe
meer de buitenstaanders zich op gewelddadige wijze verweren tegen de
emotionele weerstand die zij voelen, hoe meer kracht en onderbouwing de
roddels over hen krijgen.
Het mooiste is als de munitie voor de
kletspraat kan worden geleverd door een buitenstaander zelf. Die
spreekt immers de waarheid. Ze zeggen het zelf. Kijk eens aan, een
moslim of ex-moslim, een rechtsgeleerde bovendien, die zegt dat moslims
ondemocratisch van aard zijn. Kijk eens aan, een moslim of ex-moslim,
een vrouw bovendien, die zegt dat moslims hun vrouwen slaan en
verkrachten. De integriteit van de observaties van deze nestbevuilers
wordt danig ondermijnd door de gretigheid waarmee ze door de gevestigde
roddelaars worden ontvangen, waardoor in principe zinvolle opmerkingen
een ranzige bijklank krijgen.
In die fase verkeren wij nu in
Nederland, in de meest traumatiserende fase van de botsing tussen
gevestigden en buitenstaanders. Er wordt nu niet meer zacht gekletst,
over en weer wordt hard geroepen en gescholden. Hoe kleiner de
machtskloof tussen gevestigden en buitenstaanders, des te groter de
wederzijdse hatelijkheid en wreedheid.
Ik zei dat er nog een
derde fase is, de fase van een machtsbalans, waarbij vreedzame
coëxistentie ontstaat, zonder dat de groepsfantasieën en roddels
verdwijnen. Die fase is vooralsnog utopisch. Ik wil daarom eindigen met
de laatste woorden van Norbert Elias in zijn voorwoord van het boek,
dat straks, in de nieuwe uitgave, naar ik hoop door velen zal worden
gelezen, vooral door onze hartstochtelijkste roddelaars en
kletspraatverkopers:
,,In het hele drama tussen de twee groepen speelt ieder zijn rol op
een voorspelbare manier, gevangen als ze zijn in de valstrik van hun
relatie als gevestigden en buitenstaanders." |