woensdag, 5 december 2018

De Centrale Raad heeft op 13 november uitspraak gedaan in een zaak die was aangespannen door Marc van Hoof, advocaat van de Bijstandsbond. De zaak ging over de vraag of een proefplaats -regulier werk verrichten met behoud van een bijstandsuitkering- mag. De Centrale Raad zegt dat het in dit geval mag, want het is een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. De hoogste rechter heeft er wel bijgezegd dat het doel van de proefperiode en de korte duur van belang zijn. Marc van Hoof interpreteert dat als volgt: dat het doel moet zijn in dienst te komen bij de werkgever tegen een loon. Zo’n proefperiode kan niet als de werkgever niet zegt: je komt bij mij in dienst. Bovendien moet het een korte periode betreffen. In dat geval, zegt de rechter, is van verdringing van bestaande reguliere arbeid geen sprake.

Persoonlijke situatie

De Centrale Raad gaat erg in op het specifieke geval. Of proefplaatsing mag, stelt de rechter afhankelijk van het specifieke geval. Hij zegt dus niet: proefplaatsing mag altijd. De proefplaatsing was zeer toegespitst op de persoonlijke situatie van de klant. ‘Gelet op de omstandigheden van dit geval was de proefplaatsing bij het TDC onmiskenbaar bedoeld om appellant te ondersteunen bij zijn arbeidsbemiddeling met als doel het verwerven van reguliere arbeid, bij welke arbeid geen gebruik (meer) wordt gemaakt van de voorziening’.

Lang nadenken
De Centrale Raad heeft zeer lang over de uitspraak gedaan. De zitting was op 29 mei, de uitspraak is op 30 november verzonden. Dus 6 maanden later. Officieel moet de rechter binnen 6 weken uitspraak doen met een verlenging van 6 weken. Maar er staat geen sanctie op als het veel langer duurt, zoals nu. Officieel staat de uitspraak op 13 november, maar toen moesten er nog op de achtergrond deskundigen naar kijken voor de uitspraak werd gepubliceerd.

Zinsnede
De uitspraak bevat ook de volgende zinsnede: 'Uit 4.3.2.1 volgt dat het antwoord op de vraag of het verrichten van werkzaamheden met behoud van bijstand, zoals bij de onderhavige proefplaatsing het geval is, aangemerkt kan worden als een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, zoals bedoeld artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW, afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval’. De juridische discussie spitst zich dus toe op de vraag, wat moet worden verstaan onder een ‘voorziening gericht op arbeidsinschakeling’. Het argument van verdringing is voor de rechter van minder belang

Verplichte arbeid

De rechter gaat ook in op wel of niet verboden arbeid. Hier zijn de criteria het excessief of disproportioneel karakter ervan en/of het totaal ontbreken daaraan van enig perspectief richting arbeidsinschakeling. Of daar wel of geen sprake van is, is weer afhankelijk van de concrete omstandigheden. In het onderhavige geval is geen sprake van verboden verplichte arbeid.

Conclusie

De vraag blijft hangen of andere vormen van reguliere arbeid verrichten met behoud van uitkering nu wel of niet mogen. Zoals de Flextensie constructie. Bij de Flextensie constructie kom je na de periode met behoud van uitkering niet in dienst, en de periode duurt 6 maanden. Dit geldt ook voor de 6 maanden stages bij de gemeente Amsterdam die als leer-werk stages worden gepresenteerd. Het draait voornamelijk om de vraag of al deze vormen van onbetaald arbeid verrichten in een specifiek geval wel of niet beschouwd kunnen worden als gericht op arbeidsinschakeling en van korte duur. Volgens Marc van Hoof mag met deze uitspraak in de hand de Flextensie constructie niet. En de leer-werkstages in Amsterdam ook niet, al ligt dat wat genuanceerder. Want dat is tegelijkertijd leren en werken, dus wat is het doel? Maar constructies in de WMO dagopvang zoals bij het bedrijf Reakt waar mensen reguliere arbeid verrichten voor 7,50 euro per dag mogen ook niet.

De uitspraak staat in deze link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2018:3829

Piet van der Lende