zaterdag, 1 juni 1991

Met het onderstaande artikel van Eric Hobsbawm willen we een discussie openen over maatschappijvormen. Hobsbawm betoogt dat de socialistische zaak nog steeds overtuigend en levensbelangrijk is, ook al zijn veel van de argumenten gewijzigd. Het artikel verscheen eerder in Marxism Today (april 1991).

Wat is de toekomst van het socialisme? Mijn eerste instinct als historicus, je zou kunnen zeggen mijn beroepsdeformatie, is te vragen: wat is zijn verleden, en hoe beïnvloedt dat het heden en de mogelijke toekomst? Die benadering is verdedigbaar, aangezien het woord, het concept, het programma, en de vruchten van het socialisme en socialistische politiek geen eenvoudige, onwrikbare feiten zijn, maar constructies van de geest. Het zijn namen, patronen, etiketten die we gebruiken om vat te krijgen op de situatie waarin de mensheid zich bevindt sinds de revolutionaire periode aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw, en die we geven aan bepaalde pogingen van mensen om de maatschappij te verbeteren en/of te transformeren.

Aanvankelijk had het woord socialisme geen politieke lading, noch impliceerde het een bepaalde wijze om de maatschappij te organiseren. Hierin verschilt het van het woord communisme, dat van begin af aan verwees naar een maatschappij gebaseerd op gemeenschappelijk in plaats van privee-eigendom. En al gauw, vanaf Babeuf (*1), een politieke beweging om dat te bereiken. Socialisme en socialist werden simpelweg afgeleid van het woord sociaal, en betekenden weinig meer dan dat de mens van nature een sociaal wezen is. Het begon pas iets van de huidige betekenis te krijgen in de jaren dertig van de negentiende eeuw, toen het deel werd van het sociale en politieke idioom, dat zich vanuit Groot-Britannië en Frankrijk verspreidde. Het ding had natuurlijk onder andere namen al bestaan, maar nog niet zo lang. In Groot-Britannië werd het 'cooperation' en 'cooperative' genoemd; in Frankrijk 'collective' of 'collectisme'. Later werd het 'collectivisme' of elders 'mutualism'.

Twee dingen vallen op.

Ten eerste: het tegenovergestelde van 'socialisme' was nog niet 'kapitalisme' maar 'individualisme'. Het 'socialisme' was antikapitalistisch, simpelweg omdat het begin negentiende eeuw voor de hand lag om te zeggen dat de kern van een individualistische maatschappij bestond uit competitie, dat wil zeggen de markt. De basis van een social(istisch)e maatschappij zou daarom moeten bestaan uit samenwerking, of solidariteit. Nu liet dat nog een breed scala aan mogelijkheden open. Alles, variërend van een lichte aanpassing van het laissez-faire kapitalisme in het belang van de sociale zekerheid, tot aan communistische kolonies, helemaal zonder privee-bezit of geld, konden doorgaan voor 'socialisme'. In Groot-Britannië bleef deze oorspronkelijke betekenis van socialisme centraal staan tot aan het einde van de negentiende eeuw, en de opkomst van socialistische arbeidersbewegingen. Dat is waarom de Fabianen (*2) dachten dat ze de Liberale Partij socialistisch zouden kunnen maken zonder dat iemand het maar in de gaten zou hebben.

Ten tweede: het socialisme had aanvankelijk geen politieke implicaties (hierin verschilt het opnieuw van het communisme). Het zou kunnen worden gevestigd door de staat, of door elke andere effectieve autoriteit, doch het best door vrijwillige gemeenschappen; door wat Bernard Shaw noemde 'socialisme door privee-ondernemingen'. Dit is, tussen twee haakjes, waarschijnlijk de reden waarom er in de jaren veertig van de negentiende eeuw in de Verenigde Staten meer socialisme dat wil zeggen socialistische kolonies waren, dan waar ook ter wereld. Tot aan de jaren tachtig van die eeuw dachten de mensen bij 'arbeidersklassesocialisme' aan socialisme in en door vrijwillige associaties, coöperaties en andere vormen van vrijwillige, gezamenlijke en collectieve activiteiten. Pas toen de arbeidersbewegingen, in de lijn van zowel de Jacobijnse democratische traditie als van het marxisme, de kant op gingen van de collectieve politieke actie, werd het socialisme gekoppeld aan de verovering van de staatsmacht. De staat werd toen vanzelfsprekend het centrale element in de opbouw van het socialisme.

Maar het doel was niet op de eerste plaats een bepaalde organisatiewijze van produktie, distributie en uitwisseling. Het was, om John Rae, een intelligente antisocialist uit die tijd aan te halen, "in de kern, een roep om sociale rechtvaardigheid." Dit verklaart waarom de nieuwe socialistische arbeiderspartijen en hun denkers en schrijvers, in tegenstelling tot de utopiebouwers, zo verrassend weinig aandacht besteedden aan wat ze zouden gaan doen nadat ze aan de macht gekomen zouden zijn. Totdat dit werkelijk gebeurde aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Marxisten gingen de weigering om over de toekomst na te denken zelfs positief waarderen. "De Socialistische Partij," zei Kautsky, die sprak voor de grootste, "kan alleen opbouwende voorstellen doen voor de bestaande sociale ordening. Suggesties die verder gaan kunnen niet gebaseerd zijn op feiten, maar vloeien voort uit veronderstellingen; zij zijn daarom fantasieën en dromen."(*3) De werkelijke inhoud van het socialisme was, tot aan 1917-1918, het kapitalisme op zijn kop: wat nu slecht was, zou dan goed zijn. De details waren niet belangrijk. Zelfs mensen die zich wel met de details bezig hielden, zoals de Britse Fabianen, doordachten niet op serieuze wijze hoe een gesocialiseerde economie zou werken. Het was evident dat het beter zou moeten werken dan het kapitalisme.

En het gebeurde hun dat tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw het gelijk van de socialisten bewezen werd door het kapitalisme zèlf. Tussen pakweg 1914 en 1950 ging alles fout wat mogelijkerwijze fout kon gaan. Het kapitalisme maakte twee wereldoorlogen mee, en twee rondes van nationale en sociale revoluties, die het einde betekenden of in elk geval aankondigden van de grote koloniale rijken, en die een derde van de mensheid buiten het kapitalistische systeem plaatsten. De typische politieke regimes van de burgermaatschappij, liberale democratieën, werden overal ter wereld omver geworpen. In 19401941 bestonden ze nog nauwelijks buiten de Verenigde Staten en de randjes van Europa, Amerika en Australazië. Nog belangrijker was, dat de kapitalistische economie zelf ziek was, en zelfs bijna in elkaar stortte in de ernstigste crisis die het ooit had meegemaakt. De enige waarin het er even op leek alsof zij volledig zou verongelukken. Elke vorm van socialisme zou beter moeten presteren dan dit. Vandaag is ons niets duidelijker dan de economische inefficiëntie van de primitieve, centraalgeplande, staatgeleide economie van de SovjetUnie, welke beweerde socialistisch te zijn. Maar zestig jaar geleden stonden nietsocialistische politici en intellectuelen in de rij voor retourtjes Moskou om de geheimen te doorgronden van de 'planning' die de Sovjets immuun leek te maken voor de crisis welke hun eigen landen aan het verruïneren was.

De socialisten, intussen, waren gedwongen om na te denken over wat het socialisme concreet betekende, meer dan een kreet. In 1917 hadden de Bolsjewieken de macht genomen en vanaf 1918 gingen de belangrijke sociaaldemocratische partijen regeringsverantwoordelijkheid dragen. Ze moesten werkelijk beleid gaan maken. Maar terwijl ze nog helemaal niet systematisch hadden nagedacht over wat ze nu wilden, laat staan over hoe een socialistische maatschappij eruit zou moeten zien, moesten ze hun beleid op korte termijn uitstippelen, het uitwerken onder de druk van de meest urgente problemen. Kort gezegd, ze reageerden op specifieke situaties. De meeste van de huidige problemen van het socialisme komen voort uit het feit dat socialistisch beleid ontworpen om een situatie van kapitalistische crisis en ineenstorting het hoofd te bieden tussen ruwweg 1914 en 1950 niet langer meer toepasbaar is op de situatie aan het eind van de twintigste eeuw. Of liever gezegd, dat we nooit hebben overwogen wat er gedateerd en verouderd aan is, en wat niet.

Ik had het steeds over 'socialisme' in enkelvoud. Sinds 1917 moeten we echter spreken over tenminste twee verschillende takken van socialisme, waarvan er eentje op het moment aan het ineenstorten is, of al ineengestort is, namelijk de sociaaldemocratie en de Sovjet of Sovjet-geïnspireerde communistische systemen. De Sovjetsystemen zijn de enigen die daadwerkelijk beweerden volledig socialistische economieën en maatschappijen te hebben gevestigd. Voor zover ik weet, heeft geen enkele sociaaldemocratische regering of partij, hoe radicaal ook of hoe lang ook aan de macht, ooit zoiets beweerd. Ik herinner er ook nog maar eens aan dat ook de SovjetUnie pas in 1936 meende dat ze het socialisme had bereikt. Ze hadden misschien nog iets langer moeten wachten...

De Sovjetvorm van het socialisme werd voor een groot deel bepaald door de omstandigheden waarin de Sovjets zich bevonden na de Oktoberrevolutie: een bijzonder arm en opvallend achterlijk land, wiens enige politieke traditie de autocratie was, waar alle bekende voorwaarden voor het socialisme ontbraken, volkomen geïsoleerd, en onder een voortdurende bedreiging. Snelle economische en technologische ontwikkeling, dat wil zeggen halsbrekende industrialisatie, kreeg de voor de hand liggende hoogste prioriteit. Het Bolsjewisme veranderde zichzelf in een ideologie voor snelle economische ontwikkeling voor landen waarin de omstandigheden niet geschikt zijn voor kapitalistische ontwikkeling. Een tijd lang was het zo succesvol dat het als economisch model gebruikt werd door een heel stel DerdeWereld-landen zoals India, ook al hadden ze geen sympathie voor de meedogenloze dictatuur waarmee het gepaard ging. Het functioneerde in essentie als een oorlogseconomie, waarin bepaalde prioriteiten als gegeven worden geaccepteerd zoals de noodzaak om een oorlog te winnen en kosten niet geteld worden, of liever, waarin alle andere doelstellingen ondergeschikt zijn aan de belangrijkste. Hoewel de gecentraliseerde bevelseconomie een nogal ongepolijst instrument was, en geweldig verspillend, bereikte het een aantal indrukwekkende resultaten. Omdat het kapitalisme op zijn rug lag, leken de successen nog indrukwekkender dan ze in feite waren. De Sovjeteconomie bleek er echter niet in te slagen het kapitalisme bij te houden toen dit, in de jaren vijftig, in de hoogste versnelling terecht kwam. Als je kijkt naar het dagelijks leven van gewone mensen: het kon voorzien in de basisbehoeften voedsel, huisvesting, kleding en een beetje recreatie maar verder niets. Aan de andere kant slaagde het beter dan het kapitalisme in het verzorgen van massaonderwijs en veel beter dan andere DerdeWereld-landen in het vestigen van sociale en gezondheidsvoorzieningen (totdat de economie vastliep in de jaren zeventig en tachtig).

De vergelijking met een oorlogseconomie is niet oppervlakkig. Want het enige werkelijke model van overheidsbeleid dat socialisten, die nooit eerder hadden nagedacht over wat te doen wanneer ze eenmaal aan de macht zouden zijn, hadden was een oorlogseconomie, te beginnen met die van de Eerste Wereldoorlog. Dit is niet alleen van toepassing op de Bolsjewieken, maar ook op Westerse sociaaldemocraten, in elk geval in de landen die bij de oorlog betrokken waren. Voor een oorlogseconomie is planning nodig, het publieke besturen van grote delen van de economie en, niet het minst belangrijke, de mobilisatie van arbeidskrachten, liefst met de steun van de vakbonden en een element van systematisch sociaal beleid. Een bijprodukt van deze invloed van het oorlogsmodel -en Lenin's idee van planning was met name geïnspireerd op de Duitse oorlogseconomie- was het versterken van de socialistische vooringenomenheid ten gunste van gecentraliseerde staatsactiviteiten. Wanneer zowel Bolsjewieken als sociaaldemocraten dachten aan socialisme, dachten ze bijna uitsluitend aan het conflict tussen planning door de staat en de prioriteiten van de markt.

Als het communistische idee van socialisme bepaald werd door de noodzaak van achterlijke landen om zo snel mogelijk economisch te groeien, hoe hoog ook de kosten, dan werd het sociaaldemocratische beleid gedomineerd door een andere specifieke historische situatie, namelijk de grote kapitalistische crisis tussen de twee wereldoorlogen; om precies te zijn, door massale werkloosheid. Zij werden, natuurlijk, beïnvloed door andere overwegingen. Behalve de ervaringen met de oorlogseconomieën namen zij ook de politiek van electorale democratieën voor gegeven aan, omdat dat hen juist had mogelijk gemaakt massabewegingen te worden. In een aantal gevallen waren zij zelfs de belangrijkste architecten van de democratie geweest, die zij hadden bereikt door langdurige agitatie en algemene stakingen in Zweden, België en Oostenrijk.

Merkwaardig genoeg was dat wat na de oorlog bekend werd als de 'verzorgingsstaat', niet ontwikkeld door de sociaaldemocraten, die het zo enthousiast omarmden. Het had zelfs geen belangrijke rol in hun denken gespeeld. In Groot-Britannië werd het vooral uitgewerkt door de Liberalen, in Frankrijk door sociale Katholieken, in Duitsland door sociaal bewogen bureaucraten. De socialistische (of, zo u wilt, de Westers-communistische) inbreng in de ontwikkeling van de verzorgingsstaat kwam vooral via het lokale bestuur, wat vaak onder controle stond van linkse autoriteiten, zelfs onder antilinkse nationale regeringen. Vandaar het belang in volkshuisvesting, door socialistische gemeenteraden naar voren gebracht in bijvoorbeeld Londen en Wenen. We moeten hieraan toevoegen dat ook nietsocialistische ervaringen hen voorzagen in ideeën voor een socialistische economische organisatie (wat ook het geval was bij de Bolsjewieken).

Het Engelse woord 'trust' werd nota bene gebruikt in Sovjet-Rusland voor de instellingen die alle fabrieken coördineerden welke dezelfde soort produkten produceerden. De woordkeuze verwijst naar de inspiratiebron: de monopolie-kapitalistische onderneming. Het lijdt ook geen twijfel dat het model voor de nationalisaties van de Britse Labourregering na 1945 niet het ministerie was, een model dat was gebruikt door het Victoriaanse kapitalisme voor alle onderdelen van de economie die publiekelijk moesten worden geleid, maar een publieke edoch in zekere zin autonome onderneming. Hoe dan ook, massawerkloosheid was de sleutel tot de sociaaldemocratische politiek van na de oorlog, evenals van de politiek van het Keynesiaanse en het New Deal kapitalisme waarmee het samenging. De belangrijkste waarde en doelstelling was 'volledige werkgelegenheid'.

In feite was deze politiek op een briljante manier succesvol, zo niet vanuit een socialistische invalshoek dan toch zeker vanuit de optiek van het herstellen van de dynamiek van een aangepast socialezekerheidskapitalisme gebaseerd op massaconsumptie. Zo succesvol dat de volledige werkloosheid op haar eigen tegenstellingen stuitte in de jaren zeventig en tachtig, om redenen die hier niet van belang zijn. Toen het gebeurde, stortte de consensus van het aangepaste kapitalisme en de sociaaldemocratie in elkaar. Het vrijemarkt-neoliberalisme en de kritiek op de verzorgingsstaat wonnen terrein, hoewel zij slechts in twee ongelukkige landen zegevierden: met name in Reagan's Verenigde Staten en in Thatcher's Groot Britannië. Hoewel, geen echte zege. Zelfs onder de extremisten bleek het politiek onmogelijk de socialezekerheidsuitgaven af te schaffen of zelfs aanzienlijk terug te brengen. Aan de andere kant zagen de sociaaldemocraten zich opgescheept met een politiek die ongetwijfeld minder goed werkte dan in de gouden jaren tussen 1945 en 1973. En ze hadden niets dan Keynes en nationaliseringen om op terug te vallen. De ervaring van Mitterrand in het begin van de jaren tachtig was bitter maar overtuigend.

Zowel communisten als sociaaldemocraten ontdekten aldus in de jaren zeventig en tachtig dat ze niet langer door konden gaan met het soort politiek dat ze min of meer hadden geïmproviseerd en aangepast sinds de Eerste Wereldoorlog, en waarover ze voordien nooit echt hadden nagedacht. De geschiedenis had hen een indrukwekkend aura van succes gegeven, of op zijn minst van relatief of oppervlakkig succes, voor een tijdje. Voor het eerst moesten socialisten gaan nadenken over het socialisme.

Wat hebben we geleerd van de tweede helft van de twintigste eeuw, deze meest revolutionaire periode in de menselijke geschiedenis? In 1950 was de meerderheid van de bevolking actief in de landbouw, zelfs in een aantal van de meest geïndustrialiseerde landen van vandaag: Japan, Italië, Spanje. Tegenwoordig zijn zij een minderheid, soms een uiterst kleine minderheid, bijna overal in Europa, in de Westelijke Islamitische wereld, en op het Westelijke halfrond. Een periode van zo dramatische en ongekende veranderingen in de maatschappij moet socialisten onvermijdelijk inspireren hun veronderstellingen en verwachtingen nog eens goed te bekijken. Het is duidelijk dat een aantal van hen niet langer kunnen worden volgehouden.

Ten eerste is het nu wel duidelijk geworden dat het kapitalisme een overdaad aan goederen en diensten heeft geproduceerd, die de verwachtingen van onze voorouders verre overstijgt; en dat de meerderheid van de mensen in het Westen een levensstandaard geniet die veel hoger is dan wat vijftig jaar geleden voorstelbaar was. Dankzij de verzorgingsstaat hebben arme mensen bovendien veel meer bescherming tegen de winden van het lot. Het argument dat het socialisme nodig is om honger en armoede af te schaffen is niet meer overtuigend. Zelfs het argument, dat in mijn jonge jaren zo overtuigend klonk, dat alleen het socialisme de massawerkloosheid kon oplossen, overtuigt niet meer. Het Westen heeft een generatie van volledige werkgelegenheid onder het kapitalisme meegemaakt. Hoewel we in Europa opnieuw in een periode van massawerkloosheid zitten, wordt dit eigenlijk niet als zo onverdraagbaar ervaren als in de jaren dertig. Niet veel mensen zullen bovendien geloven dat het alleen maar kan worden afgeschaft door een totaal verschillend economisch systeem. Kortom, het materiële argument voor het socialisme is verzwakt.

Op de tweede plaats is veel dat eens werd beschouwd als typisch voor een socialistische economie sinds de jaren dertig gecopteerd en geassimileerd door nietsocialistische systemen, met name een geplande economie en staats of publiek eigendom van industrieën en diensten. Dit zal misschien verrassen, omdat er de laatste pakweg tien jaar zoveel werd gepraat over de triomf van de vrije markt, de ontmanteling van de staat, en de ideologische overwinning van het economisch neoliberalisme. Maar het feit dat Thatcher's ideologen en hun collega's er zo van overtuigd waren dat de klok moest worden teruggedraaid, toont juist aan hoever zij na de oorlog vooruit was gezet in de meeste kapitalistische landen. De Wereldbank heeft berekend dat tussen 1980 en 1987 er in de hele wereld niet meer dan vierhonderd privatiseringen hebben plaatsgevonden, waarvan de helft in vijf landen: Brazilië, Chili, Thatcher's Groot Britannië, Italië en Spanje. In de drie grootste economieën, de Verenigde Staten, Japan en Duitsland, werden samen niet meer dan veertien bedrijven geprivatiseerd. Kortom, de kapitalistische economieën die na de Tweede Wereldoorlog opkwamen en de grootste uitbarsting van economische groei in de geschiedenis veroorzaakten waren geen pure markteconomieën, maar gemengde economieën met een substantiële collectieve sector en een heel aanzienlijke overheidsplanning. Dat maakte hen nog geen socialistische economieën, maar het maakte het een stuk moeilijker precies te zeggen wat socialistische economieën wel waren en waarin zij structureel verschilden van nietsocialistische economieën.

Kijk bijvoorbeeld eens naar twee buurlanden, waarvan de ene beweerde socialistisch te zijn en de ander niet: Hongarije en Oostenrijk in de jaren zeventig (dat is vóór de crisis in het Oosten). Toevalligerwijze waren beide erg succesvol in termen van hun systemen. In het kapitalistische Oostenrijk waren, om historische redenen, alle grote banken genationaliseerd, net als vrijwel alle zware industrie en energieproduktie, en een groot deel van electronica- en wapenindustrieën: kortom, wat vroeger de 'commanding heights' van de economie genoemd werd. In het socialistische Hongarije was, zoals we weten, de economie aanzienlijk geliberaliseerd, met aardig wat mogelijkheden voor (kleinere) privee-ondernemingen. Waar in deze twee voorbeelden zou de lijn tussen kapitalistische en socialistische systemen precies moeten worden getrokken? Kortom, het structurele criterium van het socialisme was verzwakt.

Behalve, en dit is mijn derde punt, in het Sovjettype economieën, voor honderd procent door de staat geleid en centraal gepland. Maar vanaf de jaren zestig werd het steeds duidelijker, niet in de laatste plaats voor hun regeringen, dat dit type socialistische economie slecht werkte, en in steeds grotere problemen geraakte. En wel daarom omdat het elk criterium miste van economische rationaliteit, dat wil zeggen van comparatieve kosten; om maar te zwijgen over manieren waarop de consumenten aan konden geven wat ze wilden. Kortom, het miste het element van de markt. Alle pogingen om deze systemen te hervormen trachtten dit element in te brengen. Dus terwijl kapitalistische economieën sinds de oorlog elementen introduceerden die vóór de oorlog als typisch socialistisch werden gezien, probeerden socialistische economieën elementen te introduceren die voor kapitalistisch doorgingen. Het Westen was hierin succesvoller dan het Oosten, maar het onderscheid tussen de systemen werd steeds onduidelijker.

Hoe dan ook, 1 ding is niet veranderd. Het is zelfs duidelijker dan ooit. Dit is mijn vierde punt. De markt als een richtsnoer naar economische efficiëntie en effectiviteit is 1 ding. De markt als het enige mechanisme voor de allocatie van middelen in een economie, zoals de fanatici van het Reaganisme en het Thatcherisme het zien, is iets heel anders. Het produceert net zo vanzelfsprekend ongelijkheid als fossiele brandstoffen vervuiling produceren. En, zoals Adam Smith lang geleden al liet zien, er zijn een aantal dingen, met name publieke goederen, die het helemaal niet produceert, omdat niemand er geld mee kan verdienen; of niet zoveel geld als met andere dingen. Geen enkel modern nationaal of grootstedelijk transportsysteem kan voldoende gefinancierd worden door op winst gerichte bedrijven, ook al zal het niet noodzakelijkerwijze verlieslijdend zijn.

In de 'sociale markteconomieën' (om de Duitse term te gebruiken) of de Keynesiaanse en door de sociaaldemocratie beïnvloede economieën van het Westen, worden deze tendensen enigszins in balans gehouden door het overheidsbeleid. Maar we kunnen zien wat er gebeurt wanneer, zoals in Reagan's Amerika of in Thatcher's Groot-Britannië, huizenbouw volledig wordt overgelaten aan de vrije markt. Huizen worden uitsluitend gebouwd voor hen die het zich kunnen veroorloven. Het aantal mensen dat tegenwoordig geen dak boven het hoofd heeft in New York is 70 duizend. Onder zulke omstandigheden worden de rijken bovendien veel rijker, en groeit het gat tussen hen en de armen voortdurend. Dit heeft duidelijk zichtbaar plaatsgevonden in Groot-Britannië en de Verenigde Staten. In de rijke en ontwikkelde landen troosten de mensen zich met de gedachte dat degenen die door de afvoer van de maatschappij worden weggespoeld uiteindelijk maar een minderheid zijn, hoogstens een derde van de bevolking. En zelfs zij hebben een televisie en sterven niet van de honger. Tweederde heeft het prima. Het vreselijke woord 'onderklasse' heeft zijn intrede gedaan in de jaren tachtig om de slachtoffers van de markt te beschrijven. Zij leven onder de parketvloeren van de respectabele samenleving, en we moeten onder de vloer kijken om ze te zien. Tenzij ze eronder vandaan komen zoals in New York, waar er geen manier is om de legers daklozen niet te zien, die hun weg scharrelen door de vuilnisbakken, of om het karakteristieke aroma niet te ruiken van de meest grootse en schitterende stad van de wereld: de geur van verschraalde urine van hen die geen andere plaats hebben om te leven dan de straat.

Je zou kunnen zeggen dat dit allemaal niet zo zeer voor het socialisme pleit, alswel voor een menselijke gemengde economie, variërend van de sociale markt (wat kapitalisme is met een beetje sociaalchristelijke inbreng) tot aan sociaaldemocratische staten als de Scandinavische en de Oostenrijkse (wat kapitalisme is met iets meer van een socialistische inbreng). Ik zal het niet ontkennen. Ik ben het eens met John Kenneth Galbraith als hij zegt dat "in een zeer zekere zin onze taak dezelfde is in het Oosten en in het Westen: een systeem te zoeken en te vinden dat het beste combineert van marktgemotiveerde en sociaalgemotiveerde actie." En ik ben het ook met hem eens dat of een bepaalde industrie of dienst nu wordt geleverd door een publieke of private onderneming niet noodzakelijkerwijze een principekwestie is. Grote Amerikaanse bedrijven vragen op dit moment bijvoorbeeld om iets als de British National Health Service, omdat het systeem van particuliere ziektekostenverzekeringen ongelooflijk bureaucratisch en belachelijk duur bleek te zijn. Maar in andere Europese landen, bijvoorbeeld in Frankrijk, lijkt een door de regering gesponsorde ziektekostenverzekering best goed te werken. De cruciale vraag draait niet om technische dingen, maar om of een land de plicht accepteert om een adequate gezondheidszorg te verzorgen voor al zijn burgers en erop toeziet dat zij er toegang toe hebben.

Maar laten we nimmer vergeten dat, hoewel de negatieve effecten van de markt tot op zekere hoogte gecontroleerd (kunnen) worden (hetgeen met steeds meer succes gebeurt in bijvoorbeeld Oostenrijk en Scandinavië, waar arbeiderspartijen aan de macht zijn geweest), de mondiale ontwikkeling van het kapitalisme niettemin drie effecten heeft die aan de controle ontsnapt zijn. Zij helpen ons de socialistische agenda voor de eenentwintigste eeuw op te stellen.

Het eerste is de ecologie. De mensheid is nu bij het punt aanbeland waarop ze de biosfeer werkelijk kan vernietigen: de plantaardige, dierlijke en menselijke bewoning van de planeet. Of in elk geval kan ze haar ten kwade veranderen op onvoorspelbare en ingrijpende manieren. Het 'broeikaseffect' is iets waar we allemaal mee zullen moeten leren leven. Het is het gevolg van een onbeperkte en steeds snellere economische groei. Toegegeven, het socialisme heeft daar ook altijd naar gestreefd, en de socialistische praktijk, met name in Oost-Europa, heeft een enorme vervuiling veroorzaakt. Maar het kapitalisme is van nature toegewijd aan onbegrensde groei, en het socialisme niet. En de groei moet voortaan op de een of andere manier worden beheerst. 'Duurzame Ontwikkeling' kan via de markt niet werken, maar moet ertegen ingaan. Het kan niet werken door de vrije keuze van consumenten, maar wel door planning, en, waar nodig, door in te gaan tegen keuzevrijheid. Op dit moment heeft de EG net besloten de vissers een week per maand de toegang tot de Noordzee te ontzeggen, omdat die anders leeggevist wordt.

Het tweede effect is de schokkende wijze waarop de kloof tussen de bewoners van de rijke en ontwikkelde landen en die van de arme landen groeit, afgezien van een paar opkomende industrialiserende landen en een handvol landen van OPEC-miljardairs. De 'ontwikkelde wereld' die ongeveer een derde van de mensheid uitmaakte in 1900 omvat tegenwoordig tussen de vijftien en twintig procent: ongeveer evenveel als in 1750. En terwijl de ontwikkelde wereld in 1900 ruwweg een drie keer zo hoog bruto nationaal produkt per hoofd van de bevolking verdiende als de rest van de mensheid, liep dit cijfer op tot vijf in 1950, zeven in 1970 en tot maar liefst twaalfeneenhalf in 1980 (volgens UNCTAD). Terwijl de wereld rijker wordt is er geen 'trickledown effect': geen mechanisme dat de rijkdom door doet sijpelen naar de onderkant van de maatschappij. In tegendeel, zonder stelselmatig ingrijpen zal deze situatie alleen nog maar explosiever worden.

Het derde is dat het kapitalisme, door de mensheid te onderschikken aan de economie, de relaties tussen mensen, waar maatschappijen juist op stoelen, ondermijnt en weg laat rotten, en dat het een moreel vacuüm creëert waarin niets telt, behalve wat het individu wil, hier en nu. Aan de top offeren mensen hele steden op aan winstkansen, zoals in de film 'Roger and Me', die laat zien wat er gebeurde met de stad Flint nadat General Motors er zijn fabrieken sloot. Aan de onderkant doden teenagers elkaar voor hun jassen van schapevacht, of voor hun modieuze Nikes, zoals elke dag gebeurt in New York. Want, weet je, eigenlijk verdragen mensen en kapitalisme elkaar niet. Het kapitalisme heeft een eindeloos stijgende produktiviteit nodig. Anders dan machines en produkten, die steeds efficiënter en goedkoper worden, blijven mensen koppig menselijk. Je kunt ze maar het best afschaffen en vervangen door robots zoals in de auto-industrie. Waar ze niet kunnen worden vervangen door machines, zoals in ziekenhuizen of in het algemeen in de sociale dienstverlening, moeten ze toch ontslagen worden omdat hun lonen, in tegenstelling tot de prijzen van die machines, met die van andere mensen mee stijgen en, zoals we allemaal weten van de bedrijfseconomen, lonen niet sneller mogen stijgen dan de produktiviteit. Het zou een stuk eenvoudiger zijn als we het zonder hen konden stellen. Welnu, de economie kan tot een opvallende hoogte zonder hen, maar ze verdwijnen niet. Ze zijn er nog steeds. Maar wat gebeurt er met hen?

Laat ik een voorbeeld geven van wat er met hen gebeurt: de Amerikaanse auto-industrie. Er was een tijd dat die banen leverde. Werken aan de lopende band van Henry Ford's Willow Run of River Rouge fabrieken was niet erg leuk, maar het werd goed betaald, en het leverde eindeloos veel banen voor zwarten en arme blanken uit het Zuiden van de Verenigde Staten. Ze waren niet geschoold, hadden geen vak geleerd, vaak misschien niet al te pienter, maar ze waren bereid om te werken, en lopendebandwerk gaf hen de mogelijkheid een gezin fatsoenlijk groot te brengen, met wat zelfrespect en een klein beetje waardigheid, als burgers en leden van de automobielarbeidersvakbond. Tegenwoordig heeft de auto-industrie ze niet meer nodig. De enige instelling die een arme Amerikaanse zwarte vandaag de dag een gerespecteerde baan aanbiedt is het leger, hetgeen de reden is waarom een derde van de troepen in de Golf zwart was. En wat gebeurde er met de gemeenschappen die afgedankt werden, wier arbeid niet langer meer nodig werd bevonden? Zij zijn de verbitterde, ongecontroleerde getto's geworden, vergiftigd door angst, drugs en vuurwapens, waar mannen en vrouwen leven van sociale voorzieningen danwel van de misdaad.

Socialisten zijn ervoor om de wereld eraan te herinneren dat mensen en niet produktie op de eerste plaats komen. Dat mensen niet moeten worden opgeofferd. Niet een bepaald soort mensen, de slimmerds, de sterken, de ambitieuzen, de schoonheden, degenen die op een dag misschien grootse dingen zullen doen, of zelfs degenen die vinden dat deze maatschappij met hun persoonlijke belangen geen rekening houdt, maar iedereen. En vooral zij die gewoon maar gewone mensen zijn, niet erg interessant, "alleen maar goed om de grote getallen vol te maken," zoals de moeder van een vriend van me altijd zei. Of zoals iemand zegt in de meest roerende zin van Arthur Millers 'Death Of A Salesman', wat gaat over precies zo'n kleurloos en nogal nutteloos persoon: "We moeten aandacht aan hem schenken. We moeten aandacht schenken aan zo'n man." Het socialisme gaat over en om juist die mensen.

De toekomst van het socialisme berust op het feit dat de behoefte eraan onverminderd groot is, hoewel de argumenten ervoor in bepaalde opzichten niet dezelfde zijn gebleven. De toekomst van het socialisme berust op het feit dat het kapitalisme nog steeds tegenstellingen en problemen oproept die het niet kan oplossen, en dat het zowel ongelijkheid produceert (die kan worden verzacht met gematigde hervormingen) als onmenselijkheid (die niet kan worden verzacht). Als de miserabele en verdiende ineenstorting van de Sovjetsocialistische systemen de krantenkoppen niet had gedomineerd in 1989 en 1990, dan zouden de zegeningen van het kapitalisme nu heel wat minder bevlogen geafficheerd worden. In feite doet het kapitalisme het helemaal niet zo goed. Het is weer terug in een wereld vol honger en oorlog. En zelfs waar het geen zichtbare ellende veroorzaakt, zoals in delen van Latijns Amerika en Afrika, komt het de overdreven lofprijzingen niet toe. Zoals J. K. Galbraith zei, ik citeer hem nog maar een keer, toen oostelijk Europa nog steeds zogenaamd socialistisch was: "Het is een grimmig maar volkomen onwankelbaar feit dat niemand op zoek naar een beter leven zou verhuizen van Oost-Berlijn naar de Zuidelijke Bronx."

De problemen van de wereld kunnen niet worden opgelost door de vrije markt. Naar mijn mening kunnen ze ook niet worden opgelost door de sociaaldemocratie (waarmee ik doel op de soort van sociaaldemocratie zoals de Scandinavische of de Oostenrijkse die haar naam nog steeds eer aandoet), noch door de 'sociale markteconomie', het soort van gemoraliseerde en sociaal bewuste onderneming waarvoor, als ik een gokje mag wagen, de Katholieke Kerk dit jaar zal pleiten in haar volgende pauselijke encycliek. Mocht u het wel vergeten zijn, de heilige vader is vast niet vergeten dat 1991 het eerste eeuwfeest is van de eerste sociale encycliek van de Kerk, Rerum Novarum. Beiden zijn beter dan het Reaganisme of het Thatcherisme, en in het geval van de sociaaldemocratie zelfs veel beter. Het zijn in feite de beste paarden waar een socialistische gokker op dit moment op kan wedden. Ik bedoel te zeggen dat ze de beste soort regering zijn die op het moment denkbaar is. Maar de problemen van een aarde die onbewoonbaar kan worden gemaakt door een voortdurende exponentiële groei in produktie en vervuiling, om maar te zwijgen over de technologische vernietigingscapaciteit die door de Golfoorlog is gedemonstreerd - de problemen van een wereld gespleten in een enorme meerderheid van hongerige volkeren en een minderheid van uitzonderlijk rijke landen, kunnen op deze manier niet worden opgelost. Die problemen vereisen vroeger of later een systematisch en gepland ingrijpen, zowel nationaal als internationaal, alsook een aanval op de bolwerken van de consumptie-economie. Zij vereisen niet slechts een betere maatschappij dan in het verleden, maar, zoals socialisten altijd gesteld hebben, een ander soort maatschappij. Een samenleving die niet alleen in staat is om de mensheid te redden van een op hol geslagen produktief systeem, maar waarin mensen een menswaardig leven kunnen leiden: niet slechts comfortabel, maar met elkaar, en met waardigheid.

Dat is waarom het socialisme nog steeds een agenda heeft 150 jaar na Marx en Engels' Manifest. Dat is waarom het nog steeds op de agenda staat.

Eric Hobsbawm (vertaling: Bertram Zagema)

noten:

1. Utopisch socialist uit het Frankrijk van de Revolutie. Hij leidde een samenzwering tegen de nieuwe, 'revolutionaire' leiders en werd daarvoor terechtgesteld.

2. Groep elitaire socialisten, intellectuelen, actief in de Engelse Liberale Partij. Zij pleitten voor een socialisme gedragen door staatslieden, bestuurders en bankiers.

3.Karl Kautsky, The Class Struggle (Erfurt Program), Chicago 1910, p.125.