Georganiseerde wanhoop

Deze dagen een boek gelezen waarbij ik tijdens de voorbereiding van de bespreking verleid werd me tot een serie citaten te beperken, zo boeiend en zo getekend door de precaire arbeidspraktijk waren de 187 pagina's. Bijvoorbeeld: '' … op de werkplek was immers alles verboden wat niet met werk te maken had. Zelfs je fietssleutel mocht je niet bij je houden''. (p. 35) ''Je voelt je schuldig, omdat je aan je baas een minimumloon kost, zo ver gaat het.” (p. 45) Een droge aaneenrijging van citaten dreigde – ''Het management dat het beste flirt met de grens van de waanzin wordt het meest beloond'' (p. 49) – maar bij nader inzien toch maar gekozen voor een scherpe selectie en een warme aanbeveling, plus toelichting.

De titel is sprekend: Menselijke Grondstof. Over leven op de bodem van de Europese arbeidsmarkt. Breken en verbouwen tot op de grond. Het boek is geschreven door Herman Loos, een socioloog die na een aantal jaren docentschap aan de universiteit van Leuven besloot, samen met zijn vriendin, orthopedagoge, naar Zuid West Frankrijk te vertrekken. Ze waren de 'ratrace', consumptiedrift en het instaphuis beu en kozen voor een onbekommerd leven in de dun bevolkte streek Gers.

Sjacheren
Eenmaal op de plaats van bestemming, was de bureaucratische entree smorend. Het vrij verkeer van personen hield nauwelijks rekening met verworven sociale rechten, kennis, kwalificaties en kwaliteiten. Formulieren waren niet geschikt voor een werkvergunning van het ene naar het andere land, de stapels groeiden, evenals de misverstanden en het wantrouwen. Een telefoontje 'naar derden' was niet mogelijk. Herman Loos beschrijft de gevoerde gesprekken, zijn ervaringen en de handelingen van alle betrokkenen gedetailleerd, met een onderkoelde humor en een concrete, speelse en zeer toegankelijke taal. Over het bedompte, ambtelijke kantoortje en ook later over de lange rij 'jobs'. Van bijlesdocent, via kippenvanger en podiumbouwer tot vakkenvuller, dozenvouwer en medewerker van een callcenter.

Regulier werk, vast en met sociale voorzieningen, bleek uitgesloten. Onderaanneming was troef, de met het hoofdbedrijf afgesloten contracten waren in de concurrerende uitbesteding alleen onder hoge druk uit te voeren. Het bedrijf als stressmachine, met uitzuigkrachten en wegwerpwerknemers die met een hoog verloop de tijdelijkheid van de baan onderstreepten. Ook twaalf, soms zelfs vier uur per week, enige planning was zinloos, wegblijven was gelijk aan uitsluiting. Algehele beschikbaarheid, daar ging het om. Anders dan Günter Walraff was de keuze onderaan de arbeidsmarkt te gaan wroeten geen onderzoeksproject. Bestaan en overleven veroordeelden tot fysiek zware en ongeschoolde arbeid, tot deelname aan de competitie der wanhopigen. ''Want wanhoop is de smeerolie van onze economie, het uitgelezen middel om vastgelopen arbeidsovereenkomsten weer los te weken''. (p. 23) In één van de 'evaluaties' kreeg Herman de waardering contientieus te zijn, maar wel 'te', hij moest leren sjacheren.

Vaste baan lokmiddel
Ook in Frankrijk is 'sociale activering' voor de patron, dankzij de stevige Europese subsidie, een vetpot. Herman Loos spreekt van een werklozenindustrie en haalt de inmiddels internationaal vermaarde Haagse Harry aan, achtereenvolgend: ontslagen als straatveger, werkloos, cursist, activering, aangesteld met een magere uitkering om straten te vegen. En ook hier, net als bij de ene na de andere job, is een vast contract het lokmiddel dat zijn aantrekkingskracht behoudt door ooit eens een keer in werkelijkheid omgezet te zijn. Oftewel: wanhoop doet werken en leven.

Hoewel Herman uitzonderlijk voor zijn collega's zal zijn - allen werkende armen, soms zonder vaste verblijfplaats, soms levend met warmte biedende honden in een versleten camper, soms een tijdje onvindbaar - de gemeenschappelijke positie werkt verbindend en de herhaalde vernederingen doen de rijen sluiten. Als hij zeven jaar later naar België teruggaat, mijmert hij nostalgisch over Nico, waarmee hij paddenstoelen roosterde op een vuurtje naast diens 'leefwagen'.
Herman is nooit belerend naar een collega en ook niet naar de lezer. Voor grondige studies verwijst hij naar anderen en waar een beschouwing opduikt, is dat in een persoonlijke discussie met een collega. Bijvoorbeeld over de boze toekomst, waarin door robotisering zelfs het arm houdende werk verdwijnt. ''Zolang je goedkoop bent, is de robot geen interessante investering. Tenminste op de korte termijn.” (p. 173)

Exemplarische praktijk
Niet zonder schuldgevoel stelt Herman na zijn terugkeer in België vast dat zijn vriendin na een week en hij na een maand in hun oude vak aan het werk zijn. ''Maar al die anderen''? Is hun vertwijfeling een offer aan een opstapje? (p. 175)
Misschien waren de twee naïef naar een zonnige streek getrokken, waar ook het spaarzame, reguliere werk tientallen kilometers reistijd vergde. Niet te doen op de gedroomde fiets. Misschien bood hun wetenschappelijke achtergrond toch nog enige zekerheid. Misschien ook was Herman niet door de praktijk gedreven tot deze vaststelling gekomen: ''Het ergste is nog dat de top van het management zowat onaanraakbaar is. Zelfs indien een hervorming compleet de mist ingaat, wordt de CEO bedankt met een riante ontslagvergoeding. De aandeelhouders cashen de winst en de werkvloer verliest zwaar bevochten voordelen zoals een betaalde pauze, een hospitalisatieverzekering, een anciënniteitstoelage, een job.'' (p. 49) De actualiteit druipt er vanaf.

Herman Loos, Menselijke grondstof. Over leven op de bodem van de Europese arbeidsmarkt, 2018. Uitgever EPO, Berchem België – www.epo.be/boekenportaal - prijs 19 euro 90.

Hans Boot