Hoe ‘Geen toekomst’ geschiedenis werd

Veel goede dingen gaan verloren. Een anarchist stierf onlangs. Voor velen was hij inspirerend, maar hij was bescheiden en wilde nooit geïnterviewd worden. Gelukkig liet hij zich uiteindelijk (op zijn 92ste) toch vermurwen (zie Buiten de Orde, herfst 2011, ‘Laat ik je één ding zeggen’). Enkele maanden later stierf hij. Velen zullen hem missen. Gelukkig blijven zijn ideeën en de verhalen over zijn strijdbare leven bewaard – dacht ik. Het mooie in memoriam op devrije.nl is inmiddels echter op verzoek van de familie weggehaald. Een drastisch voorbeeld van hoe een leven dat inspirerend kan zijn voor anderen uit het zicht verdwijnt.
 
Wat je nu meemaakt en vooral hoe je handelt is later geschiedenis. Een open deur van jewelste, maar toch besef ik vaak pas ‘later’, te laat, dat het inderdaad zo is. Hoe vaak heb ik al niet meegemaakt dat ik naliet aantekeningen te maken van gebeurtenissen in mijn leven waarover ik ‘later’ graag had willen teruglezen? En waarvan ik vooral nu, in de toekomst van mijn verleden, had willen lezen hoe ik er toen tegenaan keek?
Van de meest belangrijke gebeurtenissen (en soms zelfs mensen) in mijn leven heb ik geen foto’s. Soms herinner ik me door een of ander toeval (zoals Proust dat had met zijn madeleinekoekje) ineens iets dat ik helemaal vergeten was, en waar ik misschien anders nooit meer aan gedacht zou hebben.
Zo weet ik dat er bepaalde platen zijn (elpees, muziekstukken dus) die in mijn geheugen verbonden zijn met een bepaalde periode. Bij de muziek die ik het mooist vind is dat niet zo, omdat ik die aldoor ben blijven beluisteren; de muziek die de tijd niet doorstond, de platen die ik weggaf, de muziek op de cassettebandjes die ik overspoelde, juist daaraan kleven talloze herinneringen.
Ik herinner me een nacht, lang geleden alweer, ik denk in 1986, tijdens de Pinksterlanddagen in Appelscha; daar speelden Vuile Mong en zijn Vieze Gasten. Ik was vroeg mijn tent ingekropen en half in mijn slaap hoorde ik liederen die ik kende uit een andere periode van mijn leven (pakweg acht jaar daarvoor) en de vele herinneringen uit die tijd hielden me lang uit de slaap. Ik herinnerde me dingen die ik me zonder die muziek waarschijnlijk nooit meer herinnerd zou hebben, en zeker nooit meer zo intensief.
 
De betrekkelijkheid van geschiedenis. De kwestbaarheid, de feilbaarheid, de onbetrouwbaarheid, de vooringenomenheid.

Dat geldt voor mijn persoonlijke geschiedenis, en waarschijnlijk in meer of mindere mate voor die van iedereen. Hoe zit het dan met de sociale geschiedenis? Wie bepaalt wat daar onthouden wordt, wat vastgelegd wordt? Wat nu al geen aandacht krijgt in de media, kan dat achteraf nog op waarde geschat worden?
Alleen door een toevalstreffer, een massaal gegeten madeleinekoekje.
Ik kom hierop door de tentoonstelling God save the queen – kunst, kraak, punk die nog tot 10 juni 2012 te zien (en te horen) is in het Centraal Museum in Utrecht.
Op zich verrassend dat een museum hier aandacht aan besteedt, want punkers en krakers en andere opstandigen krijgen doorgaans vooral publiciteit rond de vermeende overlast die ze veroorzaken.
De tentoonstelling gaat met name over de jaren 1977-1984 ‘toen jongeren ten tijde van hoge werkloosheid, woningnood en dreiging van de bom uit een uitzichtloze situatie braken. Ze namen het heft in eigen hand, want van de overheid hadden ze niets te verwachten. Ze kraakten de slooppanden van de steden en begonnen daarbinnen nieuwe bedrijfjes. Doe-het-zelf was het motto.’
Het gaf me een vreemd gevoel om daar rond te lopen. Ik herkende de posters, de leuzen, en ook het geschetste tijdsbeeld in de filmpjes en op foto’s. Toch zag ik hier hoe van alles op één hoop gegooid werd, en hoe gesuggereerd werd dat dit alles één grote beweging betrof, alsof er niet al veel eerder gekraakt werd, en er los van de punk- en kraakbeweging in de jaren zeventig veel mensen bezig waren met eigen bedrijfjes. Alsof niet vanaf eind jaren zestig, hippies, provo’s, kabouters, bioboeren, woongroepbewoners, geitenwollensokkendragers, anarchisten en ‘gewoon’ allerlei kritische mensen die durfden af te wijken actief waren.
Misschien niet voor niets dat juist het Centraal Museum, dat een aparte afdeling heeft voor mode, veel aandacht besteedt aan uiterlijke kenmerken. Punk als mode. Het werd daardoor een soort aapjes kijken, een openluchtmuseum. Geschiedenis, we kijken erop terug, ongevaarlijk. Na afloop had ik een wat katterig gevoel: was dat nou alles? Nee, natuurlijk niet. Dit is wat er overbleef in de zeef. In deze zeef. Maar er zijn andere zeven mogelijk.
 
Mijn gevoel van vervreemding kwam ook doordat voor mij in deze jaren 1977-1984 niet de punkbeweging maar de tweede feministische golf mijn leven kleur gaf. Vreemd genoeg was van die topjaren van het feminisme op deze tentoonstelling helemaal niets te zien – of nee, toch niet vreemd, want deze werelden, de punkwereld en de feministische beweging bewogen zich grotendeels los van elkaar, het waren verschillende paradigma’s. Er waren vrouwenhuizen, vrouwencafé’s, vrouwenkraakpanden, vrouwendrukkerijen, vrouwenkranten, vrouwenfestivals, vrouwenrestaurants, vrouwenklussencollectieven en vele andere initiatieven.
 
In de documentaire ‘Onutregse toestanden’ kijkt ook Ruud Bakker terug op (ongeveer) deze jaren. De film toont het verslag van een zoektocht naar het hoe en waarom van het idealisme van de jaren zeventig, begin jaren tachtig in de stad Utrecht. Het relaas begint in 1973 bij de opening van Hoog Catharijne en eindigt in 1982, bij de brute kap van het bos Amelisweerd.
De film is zeer de moeite waard – en ook hier ontbreken de feministen.
 
Feministen bepaalden toch een aanzienlijk deel van het straatbeeld uit die tijd (het cliché ‘paarse tuinbroeken’ dekt maar een klein deel van de kleurrijke lading) en voerden in die jaren veel acties die de kranten haalden, vooral tegen sexueel geweld, zoals de heksennachten waar jaarlijks vele honderden vrouwen in meeliepen, in alle grote steden van het land, in 1980 een grote demonstratie in Utrecht tegen porno, de landelijke vrouwenstaking op 30 maart 1981 (op foto’s is te zien dat de Dam vol stond), op 28 april van datzelfde jaar een poging tot bezetting van het Binnenhof (3000 vrouwen), die met grof geweld door de politie beëindigd werd.
De geschiedenis wordt gemaakt waar je bij staat, en ik stond erbij, maar de laatste jaren hoor ik met enige verbijstering hoe er nu over die jaren gepraat wordt. Ik herken mijn herinneringen er niet in. Juist dingen die ik bijzonderder vond lijken in de kookpot van de geschiedenis bedolven geraakt, uit het zicht verdwenen. Een groot deel van het feminisme is nog altijd niet begrepen. Wat vooral begrepen werd zijn de carrièrevrouwen, de vrouwen die uit zijn op het veroveren van de macht. Niet de ideeën over machtloosheid, over het afschaffen van machtsposities en van alle vormen van dominantie.
 
Zelf heb ik van die jaren veel weggegooid. Posters, vrouwenkranten, stencils, aantekeningen van vergaderingen met verhitte discussies. Boeken bracht ik naar de vrouwenbibliotheek, die inmiddels ook al niet meer bestaat.
Gelukkig bestaat er een website waar opgeroepen wordt foto’s en documenten op te sturen.
‘Hoe was dat nou,’ staat daar,‘die vrouwenstrijd in de zeventiger en tachtiger jaren? Als we de geschiedenisboekjes moeten geloven, was het feminisme een serieuze, op sommige fronten misschien wel hysterische beweging.
Jammer! Want de vrouwenstrijd was nou juist vooral heel sprankelend, bevrijdend, vrolijk, positief, actief, creatief en anarchisties!’ Ook ontdekte ik de website www.geheugenvannederland.nl, waar eveneens veel interessants te vinden is.
 
Veel moois gaat ongetwijfeld verloren, maar er blijft nog genoeg te ontdekken, in de geschiedenis, en anders wel in de toekomst. Er vanuit gaand dat er een toekomst is. Die bleek er in de jaren tachtig achteraf gezien toch te zijn. 

Rymke Wiersma