Extreem-links

Nu het eerste onder een VVD-premier fungerende kabinet het lachen is vergaan, wacht Nederland waarschijnlijk een verkiezingsstrijd. Partijen zullen zich electoraal ten opzichte van elkaar gaan proberen te onderscheiden en politiek commentatoren zullen zeer waarschijnlijk preluderen op de te verwachte verdergaande versplintering van het politieke landschap. Dat het nog tot verkiezingen komt is op zich opmerkelijk, want het lijkt alsof de enige scheidsrechter die er nog toe doet de ‘financiële markten’ zijn, dat merkwaardige, anonieme gezelschap dat tegenwoordig de meetlat vormt waartegen elk politiek voornemen wordt afgezet en beoordeeld. Persoonlijk ken ik niemand die ooit op de partij ‘financiële markten’ heeft gestemd, maar misschien heb ik iets gemist.
 
Bij de schets van het huidige politieke landschap in Nederland valt het steeds vaker op dat de SP wordt gekarakteriseerd als ‘extreem-linkse partij’. Nu gaat het mij er niet om de SP te verdedigen, maar opmerkelijk is het wel. Het verkiezingsprogramma van de SP leest toch vooral als een kopie van het partijprogramma van de PvdA uit pakweg begin jaren tachtig. Nu waren er toen ook commentatoren die in dat programma een hard-core marxistisch-leninistisch beginselprogramma wensten te zien, maar die commentatoren bevonden zich in marginale kringen als pakweg het Oud Strijders Legioen. Tegenwoordig wordt het predikaat ‘extreem-links’ echter bloedserieus door zo’n beetje elke journalist, commentator en deskundige gehanteerd. En dat is niet complimenteus bedoeld.
 
In de politicologie vindt al langer een discussie plaats over wat politieke partijen nu wel of niet extreem maakt. Gaat het daarbij vooral om het inhoudelijke programma van een partij, of gaat het vooral om de afstand die het heeft ten opzichte van de middenpartijen? In het laatste geval is in ieder geval de politieke plaatsbepaling van de middenpartijen nog van belang. Naarmate die partijen meer samenklonteren rond een programma dat op de voorkant in chocoladeletters ‘There is no alternative’ heeft staan, zullen partijen die zich van die dodelijke consensus verwijderen al gauw als ‘extreem’ verschijnen. Hetgeen dus eigenlijk vooral iets zegt over de ideologische verwatering van de ‘oude’ partijen.
 
Maar het verlenen van het predikaat ‘extreem’ is natuurlijk ook een bewuste politiek-ideologische inzet die niet op inhoud ingaat, maar een symbolische en emotionele connotatie articuleert die de kiezer schrik moet aanjagen. De oude partijen verschijnen in diezelfde beweging als vertrouwde vluchtheuvel die beschaafd, weloverwogen, genuanceerd en verstandig de toekomst van Nederland in handen kan worden gegeven. En het is daarmee tegelijkertijd uitgesloten dat die partijen ook maar iets ‘extreems’ zouden kunnen voorstaan, zoals, bijvoorbeeld, het doelbewust vermarkten van de samenleving, het afbreken van de rechtsstaat, het stimuleren van perverse prikkels als bonussen, gouden handdrukken en productietargets, of het uitleveren en ondergeschikt maken van de democratie aan de financiële markten.
 
We leven in een tijd waarin semantisch de politieke verhoudingen worden geherdefinieerd. ‘Solidariteit’ heet nu ‘jaloezie’, ‘egoisme’ heet nu ‘vrijheid’, ‘afbraak’ heet ‘vooruitgang’, en sociale omstandigheden zijn geherformuleerd tot een individuele verantwoordelijkheid voor succes en falen. En falen is vooral een kenmerk geworden van een falende persoonlijkheid. En nu wordt dus een partij met een feitelijk vrij slapjes sociaal-democratisch partijprogramma geherdefinieerd als ‘extreem-links’. En iedereen kakelt elkaar weer na. Je zou er haast écht extreem van worden.

Ronald van Haasteren